Van Franse rommelmarkt naar de Amsterdamse Nieuwmarkt

Interview met Piet Caarls door Julia Vié

 

Toen hij negen was ontwierp Piet Caarls (1990) al stiekem kledingstukken op zolder, terwijl zijn vriendjes buiten voetbalden. Het liefst maakte hij zo vreemd mogelijke kostuums. “Ik wilde altijd al dingen verzinnen die nog niet bestonden.” Zo ontstond de rode (borduur)draad die door zijn werk én zijn leven loopt: herwaardering van het oude door het nieuw leven in te blazen.

 

Piet besloot om van zijn hobby zijn werk te maken, en begon aan de opleiding fashion design aan Artez in Arnhem. Er ging een wereld voor hem open waarin hij omringd werd door anderen met dezelfde interesse. “Toen ben ik pas echt besmet geraakt met het modevirus.”

 

Na zijn studie begon hij aan een traineeship bij het merk Balenciaga in modestad Parijs. Nu kan hij lachen om het contrast: “Als arme net afgestudeerde student zat ik daar in mijn achterkamertje op drie hoog waar ik een poster van Marlène Dumas tegen de muur had geplakt om het minder deprimerend te maken. Dan ging ik de metro in om vervolgens uit te stappen in het chiqueste arrondissement van Parijs om naar mijn werk te gaan bij een luxe modehuis dat kleding maakt voor de elite…”

 

Herwaardering van creativiteit

Terug in Nederland begon hij te borduren, een techniek die hij daarvoor nog niet had ontdekt. In de drie jaar daarna ontwikkelde hij zich daar verder in als assistent van modeontwerpers Ronald van der Kemp en Jan Taminiau. Deze heftige baan maakte dat hij na drie jaar even klaar was met de mode-industrie. “Tot dan toe dacht ik dat ik pas gelukkig was als ik bovenaan de ladder zou staan als topontwerper”, herinnert hij zich. “Dat bleek juist niet zo te zijn.”

Hij ging als verkoopmedewerker aan de slag bij Gucci in de Bijenkorf, waar hij nu anderhalf jaar werkt. Daarnaast traint hij nieuwe werknemers, omdat hij als ontwerper veel kennis heeft van de materialen. “Ik heb een heel sociale baan en ik ga met heel veel plezier naar mijn werk, maar op een gegeven moment ging ik het creëren ontzettend missen”, zegt hij. “Afgelopen zomer dacht ik: ik wil echt weer iets gaan maken, anders word ik gek.” Hoog tijd om zijn creativiteit nieuw leven in te blazen.

 

Herwaardering van platenhoezen

Piet kreeg het idee om over oude zwart-wit foto’s heen te borduren. Met zijn moeder ging hij een weekje naar Frankrijk, waar hij rommelmarkten afstruinde in idyllische dorpjes waar haast geen toerist kwam. In plaats van foto’s vond hij heel veel oude platenhoezen. “Het leuke daaraan vond ik dat mensen er vaak hele berichten of liefdesbetuigingen aan de zanger op hadden geschreven.” Net zoals Piet destijds van zijn rommelige Parijse buurtje naar Amsterdam kwam, nam hij nu deze platen van de Franse rommelmarkt mee naar Mokum.

 

Er zitten ook platen bij die Piet later in Amsterdamse kringloopwinkels op de kop tikte. Zoals de plaat van Corrie Konings die hij zo heeft geschuurd dat er nu alleen nog ‘Cor Amor’ op te lezen is. Wat een liefdesbetuiging aan zijn vriend Cor had moeten zijn, pakte anders uit toen ze de plaat samen opzetten. “Blijkbaar gaat haar liedje over een geliefde die ze zat is, ze zingt: ‘Ga maar weg, ik hoef je niet meer!’ Oeps…”, vertelt Piet. Om deze tegenstelling te laten zien, staat de songtekst in spiegelbeeld afgedrukt in de catalogus die bij de expositie verschijnt.

 

Het mooist vindt hij de platen die zo versleten zijn dat de marktverkoper zich niet kan voorstellen dat iemand ze nog wil hebben. “Deze platen komen in de kringloop omdat mensen ze als afval zien, maar voor mij waren ze juist een schat”, zegt Piet. “Iets bestaands waar ik iets nieuws van kon maken.” Zo begon zijn project Phoenixxx. Zoals een feniks herrijst uit zijn eigen as, zo brengt Piet deze afgedankte platen weer tot leven. En zo vond hij ook zijn creativiteit weer terug. De drie X’en verwijzen naar het logo van Amsterdam, waar zijn kunstwerken gemaakt zijn en nu geëxposeerd worden.

 

Herwaardering van maken

Piet bewerkt de platenhoezen op allerlei manieren: hij scheurt en kleurt, borduurt met garen en kralen, tekent en verft. Hij gebruikt de techniek van borduren, die typisch past bij de modediscipline, op een ander materiaal dan textiel. Zijn werk vervaagt hiermee de lijn tussen fashion design en kunst, tussen street-art en galeriewerk. “Kleding is zo seizoensgebonden. Dan borduur je iets voor iemand en dan komt het daarna in de kast te hangen. Zonde.”

 

Zijn werk past goed bij de herwaardering van ambachtelijkheid die we sinds een aantal jaren zien als reactie op een digitaliserende samenleving. Die ambachtelijkheid gaat samen met een herwaardering voor ‘ouderwetse’ dingen die nieuw leven in wordt geblazen. Zoals de trend van het gebruik van textiel in kunst. Tot voor kort werd borduren nog gezien als tuttig, maar nu hangen hele tentoonstellingen vol met hippe, jonge kunstenaars die bewerkelijke textiele kunst maken. En die trend reikt verder dan alleen de kunstwereld: zowel borduren als platen zijn terug van weggeweest.

 

Herwaardering van eigen kunnen

In de vitrines aan beide zijden van de Sint Antoniesbreestraat in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt wordt al meer dan twintig jaar kunst tentoongesteld in de openbare ruimte. Toen de Commissie Kunst en Cultuur Amsterdam Centrum vroeg of Piet zijn werk wilde exposeren in dit ‘museum op straat’, moest hij daar even over nadenken. “In de modewereld legde ik altijd verantwoording af aan anderen voor de dingen die ik maakte. Ik vond het juist fijn om dat even los te laten en puur te maken wat ik zelf mooi vond.” Hij wilde zijn creativiteit herontdekken en weer creëren voor zichzelf, niet voor iemand anders. Toch besloot hij het te doen en werkte hij een jaar lang bijna elke avond, naast zijn fulltime baan, aan de werken in deze expositie. Mét heel veel hulp van zijn moeder.

 

Hoewel die samenwerking vrij vlekkeloos verliep, was er ook wel eens een onenigheid. Voor een van de hoezen trok Piet bijvoorbeeld de plattegrond van Amsterdam over. Zijn moeder trok die weer over op canvas, maar zette per ongeluk één lijntje midden door de Herengracht. “We waren allebei een kwartier lang in paniek omdat we bang waren dat alles opnieuw moest,” herinnert Piet zich. “Maar uiteindelijk vond ik die imperfectie juist iets moois om te omarmen.”

 

“Ik vind het tien keer leuker om hier op straat te hangen dan in een galerie, want ook mensen die er niet om vragen komen mijn werk nu onverwachts tegen”, vertelt Piet. En onverwachts zijn zijn werken zeker. Hoe fouter de platenhoezen, hoe beter. “Dat hele kitscherige wil ik dan juist overdrijven, of daar iets vreemds van maken”, legt hij uit. “Juist als je uitersten bij elkaar brengt, krijg je een interessant beeld.” Zo heeft hij bijvoorbeeld het gezicht weggeschuurd van een oubollige Franse pianist en er het eigentijdse woord Bromance overheen geschilderd. Lachend: “Die zanger draait zich waarschijnlijk om in het graf.” Maar Piet heeft zijn werk wel mooi weer tot leven gebracht, als een feniks uit zijn as.